Reisverslag blad 15: Mali januari 2009

 

Brug over de Bagoé

Zouden hier hosti en miswijn op het menu staan?

Vrijdag 9 januari 2009

 

Onderweg naar Sikasso bevinden zich de watervallen van Karako, maar ook deze laten wij voor wat het is. We tanken in Sikasso en rijden dan richting Bamako, dat we diezelfde dag hopen te bereiken. Wel maken we een korte stop na het oversteken van de brug over de Bagoé. De Bagoé is een van de grotere rivieren die uitmondt in de Bani, die dan zelf weer versmelt met de Niger bij Mopti. Ongeveer honderd kilometer voorbij Sikasso is er een moderne brug aangelegd die deze rivier overspant.

Wij zetten het busje aan de kant en dalen af in de richting van het water. Al vrij snel stuiten we op enkele vissershutten die zijn opgetrokken met houten palen, rieten matten en landbouwplastic. Als we verder naar beneden lopen komen we tussen de koeien die richting rivier worden gedreven. Dan bevinden we ons onderaan de brug op een van de meest idyllische plekjes die we onderweg zijn tegengekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De koeien eten er van de jonge blaadjes en drinken er water, er zit een vissertje zijn boot te hozen en een jonge vrouw doet er de was, terwijl zij een lied zingt voor haar twee kleine kinderen. Het straalt een enorme harmonie uit. Enkele tientallen meters boven ons rijden de vrachtwagens over de brug, maar hier beneden gaan we duizend jaar terug in de tijd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In Bougouni eten we in een klein restaurant dat de fraaie naam Vatican draagt. We praten er met twee jongens die als gevolg van de crisis recentelijk hun baan zijn kwijtgeraakt in Spanje. Ze halen hun schouders erover op. Ze hebben visa en werkvergunningen en gaan binnenkort wel weer op zoek naar nieuw werk. Eerst brengen ze wat tijd door bij de familie. Ze zijn nog steeds rijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Enkele kilometers voor Bamako wijst de kilometerteller van ons busje 199.902 aan. Het is precies 10.000 km geleden dat wij op 13 december 2008 de tank volgooiden in Zoetermeer en vertrokken naar het Zuiden. Wij hebben het busje voorzien van dieselolie, aan de grens Marokko Mauritanië slechts één liter motorolie bijgevuld, en in Bamako een tweedehands reservebandje gekocht, dat nog ongebruikt op ons dak ligt. Hulde aan deze uiterst betrouwbare Toyota Hiace.

In Bamako vinden we zonder problemen de camping van Baco Djicoroni. Het is een tamelijk primitieve bedoening met veel gaten in de muur, waardoor mensen naar binnen kunnen klimmen. Weliswaar is er bewaking, maar die kan onmogelijk continu overal op letten, zodat je als kampeerder goed op je hoede moet zijn voor dieven. Er staan twee Duitse terreinwagens met alles drauf und dran. Ons busje steekt wel heel schriel af tegen deze alleskunners. Maar wij hebben een windscherm voor de onontbeerlijke privacy, waar zij jaloers op kunnen zijn.

Maar wij hebben lekker een windscherm

Zaterdag 10 januari 2009

 

Het zijn de dagen van de laatste loodjes. We willen als het kan maandag of dinsdag terugvliegen naar Nederland, maar hebben nog wel het e.e.a. te regelen. Om te beginnen willen we het busje zo schoon mogelijk achterlaten bij Kassouf. Na de pistes in Burkina is alles weer behoorlijk onder het stof gekomen, dus een fikse schoonmaakbeurt is noodzakelijk. We vragen de bewaker of er iemand is die voor ons de was kan doen. Natuurlijk. Binnen de kortste keren wordt ons wasgoed opgehaald en gaan twee mannen aan de slag met onze vuile kleding en het beddengoed. Dan is het busje zelf aan de beurt. Ook daar weet de bewaker wel raad mee. Wij halen het zo ver mogelijk leeg en de gardien en zijn makkers poetsen het ding tot het dak aan toe. Intussen kijkt de Duitser van de Landrover verwonderd naar de tot voorraadbakken omgetoverde jerrycans. Hij vraagt of hij er een kan kopen. Hij kan hem krijgen, kosten een biertje. Hij neemt er twee. Even later horen we hem prutsen met een elektrisch zaagje om er een gat in te krijgen. Hij heeft de uitsnede er keurig op aangetekend, maar echt vlot gaat het niet met die mooie zaag. Een stevig scherp mes is handiger.

Ondertussen moeten wij de ene na de andere handelaar afwimpelen die ons busje willen kopen.

Aan het eind van de ochtend komt een stel louche Duitsers het terrein op met wrakken van auto’s. Hun roverhoofdman stelt even wat vragen aan de Duitser die naast ons staat te zagen, een ander ligt demonstratief op het dak van zijn met een koeienschedel getooide voertuig meloen te eten, en een derde bevuilt intussen het toilet. Tien minuten later zijn ze weer verdwenen, onder achterlating van een hoop rotzooi. De gardien komt zich beklagen over de viezigheid in het toilet. Wij zijn eerlijk gezegd blij dat ze zijn opgeduveld.

onze vriend Solo se fache jamais, al vouw je hem dubbel in het busje

Aan het begin van de middag is het busje schoon en hangt het wasgoed te drogen. Tijd voor ons om naar de stad te gaan om alles te regelen wat we nodig is. Wij krijgen gezelschap van Moussa, de doofstomme jongen die ons een paar weken geleden heeft geholpen, en van ‘Solo se ne fâche jamais’ een kleine Touareg handelaar, die wij ook al eerder hebben ontmoet. Het is een aardige jongen en wij nemen hem, en Moussa op sleeptouw.

We beginnen bij de Lybische luchtvaartmaatschappij Afriquiyah. Via de computer van Willem Snapper weten we dat zij veruit het goedkoopste zijn met vliegtickets naar Amsterdam. Ze hebben een vestiging in Bamako, in het hart van de stad, op het terrein van hotel Amitié. Al snel hebben we daar de zaakjes voor elkaar. Voor € 350,-- per persoon vliegen we via Ouagadougou en Tripoli naar Amsterdam. Het vertrek is gepland op dinsdag 14 februari om 0.05 uur en we zullen dezelfde dag in Amsterdam aankomen rond 10.30 uur.

We rijden meteen door naar hotel Hanadi om er weer lekker Kèbe te eten. Papa Kassouf heeft ons een paar weken terug toegezegd dat het busje wel op zijn terrein kan staan. Geen probleem, we kunnen het busje maandagavond komen brengen en hij zal er voor zorgen dat er niemand aankomt. Het is een rustgevend idee dat alles geregeld is.

Samen met Solo gaan we opnieuw naar de stad en kopen bij een bevriende handelaar een aantal leuke souvenirs. We zijn een flink tijdje zoet met afdingen, maar dan hebben we ook precies de spulletjes die we hebben willen voor de prijs die we ervoor over hebben. Vooral het klassieke Malinese stoeltje voor Liesbeth en de batik voor Annemieke zijn erg naar ons zin.

Als laatste gaan we naar de markt van de goud- en zilversmeden, en bestellen een mooie armband voor Liesbeth die we aan het eind van de middag kunnen ophalen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is bijna donker als we terugkeren naar onze camping. De Duitsers zijn vertrokken met hun terreinauto’s naar Le Cactus, maar er staat inmiddels een enorm rijdend hotel, met een groep van ongeveer 20 Duitse toeristen. Zij zijn naar Dakar gevlogen en rijden met deze enorme bus in enkele weken naar Togo, van waaruit ze weer terugvliegen. De meesten zijn ruim boven de zestig. Door de verbeterde infrastructuur en toeristische voorzieningen is er een duidelijke verandering van het soort toeristen in Mali. Dat waren in het verleden ofwel jonge mensen met de rugzak, ofwel mensen die via de woestijn waren gekomen. Nu zien we hele gezelschappen van relatief ouderen die het West-Afrikaanse avontuur aangaan.

De batik trommelaar, inmiddels opgespannen en ingelijst

bladeren naar: